Ontdek
Kortingen Win CJP events
Over CJP
Contact
Koop je pas Inloggen
‘Wat zal mijn familie zeggen als de dichtbundel uitkomt?’
13 MEI 2015 • Door Annebel Wouters • Meer blogs over Lezen

‘Wat zal mijn familie zeggen als de dichtbundel uitkomt?’

Als een jonge Jan Wolkers maakte boerendochter Marieke Rijneveld (24) zich los van haar gereformeerde familie om zich volledig op het schrijven te kunnen storten. Nu is ze genomineerd voor een Utrechtse literatuurprijs. Kan een dorpsmeisje de stad veroveren? 

Op 15 en 16 mei vindt in het Oude Postkantoor aan De Neude in Utrecht het internationale literatuurfestival City2Cities plaats. Op vrijdagavond wordt daar de C.C.S. Crone-prijs uitgereikt aan een jong literair talent uit Utrecht. Ronald Giphart en Arthur Japin zijn ex-winnaars die daar hun succesvolle carrière begonnen. Marieke Rijneveld is één van de zeven genomineerden dit jaar. Inmiddels heeft ze al veel verhalen en gedichten geschreven voor Hard/Hoofd, de VPRO gids en Das Magazin. In juni komt haar dichtalbum Kalfsvlies  uit en ze werkt aan haar debuutroman.  

Wanneer werd schrijven je passie?
‘Op de basisschool kwam het eerste deel van Harry Potter uit. Ik had het boek van de bieb geleend en wist toen nog niet dat je ook boeken kon kopen. Op een Windows 95 heb ik daarom het hele boek overgetypt. Ik denk dat het schrijven zo begonnen is. Later bij logopedie kwam ik voor het eerst in aanraking met poëzie. Aan de muren hingen schilderijen met teksten van K. Schippers, Toon Tellegen en Johanna Kruit die ik mocht voorlezen.’

Inmiddels heb je een contract bij uitgeverij Atlas Contact, verschijnt er in juni een dichtbundel en werk je aan een debuutroman. Hoe schrijf je tegenwoordig?
‘Ik sta elke ochtend om zeven uur op en begin dan met schrijven tot een uur of twaalf. Ik moet op dit tijdstip beginnen, dan heb ik de wereld nog niet gezien, nog geen prikkels. Alsof je in je eigen cocon zit. Als je mij een wit blad geeft, dan komt er niks. Ik heb echt mijn laptop nodig om te schrijven.’

Je zei vorig jaar in het radioprogramma KRO's Hemelbestormers net als Jan Wolkers te willen zijn, dat is nogal een statement. Wat bedoelde je daarmee?
‘Op mijn bureau heb ik al zijn boeken liggen, daarbovenop staat zijn autobiografie. Als ik schrijf kijkt hij me aan met zijn markante kop en dat witte haar, waardoor ik vaak weer weet hoe ik verder moet. We hebben veel gemeen: de liefde voor de natuur bijvoorbeeld, en ik ben ook opgevoed in een gereformeerd gezin. Eerst schreef ik alleen maar absurdistische verhalen, omdat ik niet durfde te voelen. Hij heeft me geleerd om over persoonlijke onderwerpen te schrijven, hoe schaamtevol deze ook zijn. Onze stijl is wel totaal verschillend, Wolkers kan sommige stukken heel banaal opschrijven. Ik probeer het altijd iets poëtischer te maken en gebruik veel metaforen. Mijn poëzie zijn bijna allemaal prozagedichten: de meeste zinnen denderen maar door, ik stapel beeld op beeld en probeer fantasie en werkelijkheid met elkaar te combineren.'

Waar gaat je dichtbundel over? Kalfsvlies is toch geen bestaand woord?
‘Nee, gelukkig niet. Ik gebruik het woord in een gedicht dat in de bundel voorkomt. Ik kom oorspronkelijk uit Nieuwendijk, dat is een klein dorpje in Noord-Brabant. Mijn ouders wonen daar op een boerderij, midden in de natuur. Als een kalf geboren is, zit er een vlies om zijn kop dat de moeder moet verwijderen, zodat het kalf adem kan halen. Als dat niet lukt, moet de boer er aan te pas komen. In het laatste geval is er vanaf het begin al een afstand tussen kalf en moeder. De relatie tussen moeder en dochter is een veel voorkomend thema in mijn gedichten. Ook schrijf ik over het platteland, de overstap van platteland naar stad, eenzaamheid en loslaten. Mijn roman is grotendeels autobiografisch en veel van mijn gedichten komen daaruit voort. Spannend dat Kalfsvlies straks uitkomt: wat gaat mijn familie over mijn dichtbundel zeggen? En vrienden, of recensenten?’ 

Hoe is de band met jouw ouders?
‘Het gaat steeds beter. We leven alleen in totaal verschillende werelden. Ik heb zeker twee jaar moeten wennen toen ik verhuisde naar Utrecht, maar ben inmiddels erg van de stad gaan houden. Ik ga nog regelmatig terug naar huis, daar is de rust en in Utrecht de drukte. Dat heb ik beiden nodig. Op het platteland groei je op met mensen die nuchter en gesloten zijn, heel anders dan stadsmensen. Mijn ouders zijn gereformeerd en daar heb ik me los van moeten maken. Ze hadden er in het begin veel moeite mee dat ik wilde schrijven. Daardoor ben ik een vreemde eend in de bijt; mijn broers en zusjes studeren of hebben een baan. Soms is dat moeilijk, want ze hebben het schrijven nooit echt aangemoedigd. Het is daar makkelijker om over schoolwerk of het dorp te praten dan over mijn poëzie, want dat lezen ze zelden. Dat komt omdat ze zich er niet in kunnen verplaatsen.’

Schrijf je het daarom van je af?
‘Ik zie het niet als van me afschrijven, totaal niet. De verhalen zijn gekunsteld; ik maak het mooier of lelijker en alles moet een bepaalde sfeer hebben voordat ik het goed vind. Ik ben er wel achter dat als ik bepaalde gebeurtenissen niet had doorgemaakt of geen gereformeerde achtergrond heb, ik geen schrijver was geworden. Dan kwam er nu geen bundel uit en was ik niet bezig aan een roman. Nee, dan was ik nu docent Nederlands, getrouwd en had ik een huis in het dorp. Wat dat betreft ben ik blij dat ik geen doorsnee meisje ben en die gebeurtenissen me hebben gebracht waar ik nu ben.’

Je staat op literatuurfestival City2Cities, waarin juist de stad centraal staat. Komt Utrecht veel voor in je gedichten?
‘Ik schrijf nu nog meer over het platteland, dat zit in mijn hart. Ik heb nog niet eerder een gedicht geschreven over Utrecht. Ik gebruik vaak de overgang van dorp naar stad, als je het zo bekijkt komt Utrecht wel in veel gedichten voor, maar dan meer over hoe ik mij hier voel en wat ik zie. Eigenlijk ben je zelf de stad.’

Marieke met oormerk

Speciaal voor CJP schreef Marieke haar eerste gedicht dat echt over Utrecht gaat.

Hoogtevrees

Als ik onder de Dom sta, kijk ik even naar boven om me voor te
stellen hoe het zal zijn als ik naar beneden kijk, op het platteland

heeft niemand last van hoogtevrees maar hier in de stad trillen de
benen van nieuwkomers wanneer scooters om hen heen razen als

op de vlucht geslagen koeien. Het duurde even voordat ik erachter
kwam dat de toren beklimmen niet aan de buiten- maar aan de

binnenkant gebeurde zoals ook ik wenteltrappen in mij heb maar dan
zonder gids of huisregels. Soms verlang ik ernaar om de klok te luiden

voor de keren dat ik me in deze stad thuis voel of als er een nacht is
geweest waar de grachten mijn borstkas ruimer maakten, het hart

vrij kon ademen, hier leerde ik dansen omdat iemand zei dat er maar
één avond als deze bestond, dat de domtoren speciaal voor mij

verlicht was, last van hooikoorts geeft je het recht om af en toe te
huilen. De huisarts in het dorp zei bij het afscheid dat ik maar eens

met een meisje moest kussen, het was op de Ganzenmarkt en iedereen
om ons heen was zo vriendelijk om even te vervagen, daarna bier

en kaaskroketten om te vieren dat filmische avonden vaak zonder
script tot stand kwamen, de dorpsbewoners enkel nog figuranten,

ooit kijk ik van boven naar beneden en zal zien dat hoogtevrees
er alleen voor zorgt dat je met beide benen bij de grond blijft.

Tijdens het internationaal literatuurfestival City2Cities vinden in het Oude Postkantoor lezingen en voordachten plaats van grote internationale namen uit de schrijverswereld. Het thema dit jaar zijn de steden Krakau en Parijs. Zaterdagavond zal Michel Faber vertellen over zijn nieuwste roman Het boek van wonderlijke nieuwe dingen en gaat Jan Siebelink in op zijn liefde voor Parijs. Als CJP’er kun je daarbij zijn en op vertoon van je pas krijg je wel € 5,- korting.

Comments