Ontdek
Kortingen Win CJP events
Over CJP
Contact
Koop je pas Inloggen
De Tropen in Amsterdam
18 OKT 2013 • Door Johan Fretz • Meer blogs over Expo

De Tropen in Amsterdam

Dit artikel is vandaag ook verschenen in het CJP Magazine, dat in zijn geheel online te lezen is.

De afgelopen jaren hoorde ik het vaak om me heen: het Tropenmuseum moet gered worden. Ik knikte altijd maar beleefd en zei: ‘Jazeker, het zou vreselijk zijn als dit allemaal verloren ging’. Dat was namelijk wat iedereen zei, dus ik dacht: laat ik dat maar herhalen. Wat er eigenlijk verloren zou gaan? Ik had geen idee. Nou ja, ik heb twee jaar in Oost gewoond en toen reed ik elke dag langs het museum, maar nooit ben ik er binnen geweest. Ook niet als kind. Ik was nota bene een half tropenkind, maar ja: ik wilde altijd naar De Efteling. Pas vandaag betreed ik dus voor het eerst dit indrukwekkende pand, samen met fotograaf Ilja.
 
We worden in de welkomsthal hartelijk ontvangen door Anna Brolsma van het museum. Ze neemt ons met de lift mee naar de bovenste verdieping. Zodra we uitstappen valt mijn
mond open: nu zie ik opeens wat er schuilgaat achter de muren van het pand waar ik jaren voorbij fietste. Wonderschone klassieke allure: het dak is een immense glazen koepel, over de balustrade kijk je zo op alle verdiepingen uit. Door de chique stenen boogpoorten kun je vanaf hier makkelijk bij de verschillende tentoonstellingen naar binnen kijken en helemaal beneden, als middelpunt, zie je een immens grote ruimte: op de houten vloer waarmee die zaal is bedekt staat niks, behalve een suppoost die zich verveelt. Dit is een museum zoals in Hollywoodfilms, waar inbrekers in het holst van de nacht een zeldzaam object komen stelen. Ilja ziet mijn verwondering en vraagt me of ik hier echt nooit ben geweest. ‘Wij kwamen hier vroeger altijd met school, dan gingen we beneden rijst koken, daar was dan iets speciaal voor kinderen. Is dat er nog?’, vraagt hij. Anna knikt: er is beneden een speciale tour voor kinderen. Maar wij blijven boven, want we zijn allang geen kinderen meer. Gelukkig is het ook hier goed toeven. Zo klassiek als het pand is, zo klassiek is de expositie gelukkig niet. Geen statige doeken die je het gevoel geven dat je met een ernstig gezicht heel stil moet rondlopen alsof je er verstand van hebt. Het licht komt door de grote ramen naar binnen en kinderen rennen verwonderd langs de exposities. Overal klinkt geluid, uit boxen bij installaties schalt Afrikaanse muziek. Van enige doodsheid is geen sprake.
 
‘De filosofie van het museum was vroeger meer: wij laten zien hoe mensen ver weg leven. Zo is het daar! Dat doen we niet meer. We laten het je zelf ontdekken. Je ziet delen van die landen en daar mag je dan je eigen verbeelding op los laten.’ Een goed voorbeeld is de reusachtige houten vis die we passeren. Bij nader inzien blijkt dat een doodskist te zijn in de vorm van een vis. ‘Komt uit Ghana’, legt Anna uit. In Ghana worden mensen begraven in een doodskist die hun leven belichaamt. De doodskist die in het museum staat, is afkomstig van een visser. Ilja en ik moeten erom lachen en vragen ons af hoe wij zouden worden begraven: hij waarschijnlijk in een kist in de vorm van een fotocamera en ik in een houten boek. Op een video zien we hoe mensen in Ghana tijdens een begrafenis de kist door de straten dragen. ‘Zo laten we iets concreets zien, dan weet je ook waar iets vandaan komt. Als je alleen naar beeldjes en voorwerpen zit te kijken en je krijgt geen context, dan doet het veel minder met je.’ Binnen de kortste keren worden Ilja en ik weer twee jongens van twaalf op ontdekkingsreis. We drukken op de knoppen van de tentoonstellingen: zo verschijnen lichtgevende maquettes van verre steden, schepen uit de koloniale tijd en klinkt uit boxen plots muziek uit verre windstreken. Als we even een hoek om lopen, staan we opeens in een nagebouwd theehuis uit het Midden-Oosten, of een ruimte waar levensechte poppen uit de verre geschiedenis ons aankijken. Voor wie zich ver weg wil wanen, zonder het vliegtuig in te hoeven stappen, blijkt dit een gedroomde plek. Het tovert werelddelen tevoorschijn met speels gemak, in hartje Amsterdam.
Anna vertelt dat in de grote ruimte beneden binnenkort een hele bijzondere expositie start. Die moet nog worden opgebouwd, maar ze belooft ons een voorproefje. Door het trappenhuis lopen we naar de kantoren. Anna: ‘De expositie heet Zwart/Wit en onderzoekt hoe zwarte en witte Nederlanders al anderhalve eeuw samenleven. Hoe keek wit naar zwart en andersom toen bijna iedereen hier wit was en bijna niemand zwart? Wat veranderde er toen er meer zwarte Nederlanders kwamen? En hoe zit het met zwart en wit in Nederland vandaag?’
 
In een licht kantoor krijgen we alvast werken te zien die straks beneden te zien zullen zijn. Ook zien we promotieposters die door de hele stad gaan hangen. Er staan zwart-wit foto’s op met prikkelende leuzen. ‘Het woord neger is beledigend’, ‘Bakras zijn nog steeds de baas’ en ‘Zwarte Piet kan echt niet meer’. Vooral die laatste leus gaat veel onrust veroorzaken, dat weet ik nu al zeker. Zo vroeg als de pepernoten tegenwoordig in de schappen liggen, zo snel laait telkens de jaarlijkse discussie op, over de vraag of Zwarte Piet racisme is. Deze poster zal dus ongetwijfeld felle reacties oproepen: ouders die boos worden dat hun kinderen met zo’n leus geconfronteerd worden en anderen die vinden dat die uitspraak nu eenmaal niet ongezegd kan blijven. ‘Maar daarmee laten we heel erg zien waar de expositie over gaat: hij moet mensen prikkelen’, vertelt Anna. ‘We hebben bewust voor veel verschillende leuzen gekozen. In de expositie zelf laten we ook meerdere kanten zien. Ook veel hedendaags werk. We gaan niet met de vinger wijzen: zo moet het of dit is slecht. Je ziet van alles en mag er zelf over nadenken of met elkaar over in gesprek gaan, dat maak het hopelijk krachtig. Er is dit jaar natuurlijk al veel gedaan met het thema, vanwege het feit dat de slavernij 150 jaar geleden is afgeschaft, dus we wilden daar met deze tentoonstelling wel echt iets wezenlijks aan toevoegen.’ Een van die hedendaagse werken blijkt toevallig van Ilja te zijn. ‘Ik heb een foto geleverd van rapper Akwasi als Zwarte Piet, die had ik voor Nieuwe Revu gemaakt’, zegt hij over het indringende portret.
 
Dat er hoop is voor het museum, nu het voorlopig door politiek Den Haag is gered, is goed te merken. De Escher-expositie die nu gaande is trok al duizenden bezoekers en ook vandaag loopt het er storm. Maar niet alleen daar. De houten vloer beneden mag dan leeg zijn, boven is genoeg te zien, ook over de koloniale tijd. Er is een video-expositie waarbij verschillende mensen van Surinaamse komaf vertellen over een DNA-onderzoek waar ze aan hebben meegedaan: het blijkt dat ze helemaal kunnen nagaan waar je voorouders vandaan komen. ‘Daar zou jij ook aan mee kunnen doen’, zegt Anna. De bevlogenheid waarmee ze over het museum vertelt is aanstekelijk. Ik druk op een knop en een maquette van een plantage uit de slaventijd licht op. ‘Zo’n plantage ziet er eigenlijk best gezellig uit’, merk ik op. ‘Tja, als je aan de goede kant zat, in het huis daar, dan was het vast best gezellig’, zegt Anna met een subtiele glimlach. In de stijl van de exposities geeft ze me geen moralistische preek over de slavernij, ik mag het allemaal zelf bedenken. Ik zou nog uren naar de gedetailleerde maquette kunnen kijken, maar het museum gaat sluiten. De meeste lampen gaan plots vanzelf uit. Alleen ergens achterin het museum schijnt nog een heel fel licht. Wanneer we dichterbij komen, zien we wat het is. Op een digitaal informatiebord naast een vitrine prijkt het lichtgevende logo van Microsoft Windows Vista: typisch stukje koloniale geschiedenis.

Comments